Hans Demeulenaere of de onmogelijke
schaal van de realiteit (N)


Stef Van Bellingen

--

De ruimte anders ervaren (N)

Experiencing space differently (E)


Julie Rodeyns

--

Friktions (N)


Lieze Eneman

--

Werkperiode van Esther Venrooy en Hans Demeulenaere
in Lokaal 01 (N)


Indra Devriendt

--

Stability is overrated (E)


Edith Doove

 

 

 

 

 

   
   
   
   

DE RUIMTE ANDERS ERVAREN:

DE WERELD VAN HANS DEMEULENAERE  


Julie Rodeyns


1
Ik zit aan de salontafel van een knusse Brugse rijwoning, bij Hans Demeulenaere thuis. Op het tafelblad tussen ons in liggen plannen en tekeningen van zijn werk. Demeulenaere haalt er een schaalmaquette bij om me over zijn nieuwste project te vertellen. Niet de man van de grote verhalen of filosofieën, doet hij dat met een frisse concreetheid en stugge volledigheid die een praktische geest verraden. Demeulenaere had eigenlijk architect moeten worden. Het liep anders. Nu is hij een beeldend kunstenaar die ruimtelijkheid tot voorwerp van zijn artistieke onderzoekspraktijk heeft gemaakt. Een belangrijk deel van zijn oeuvre bestaat uit architecturale installaties, gebaseerd op bestaande ruimtes: van een architectenkantoor (‘re-flex/flex/re-flection’, Sint-Niklaas, 2010) tot een anonieme doorgangsruimte in een kunstencentrum (‘Who Framed this House?’, Leuven, 2010) of de Kortrijkse Broeltoren (‘Shifting Grounds’, Kortrijk, 2010). Die ruimtes analyseert en meet de kunstenaar eerst meticuleus op om ze op hun mogelijkheden te onderzoeken. Daarna realiseert hij een veranderde, verschoven of geconverteerde reproductie. Gipswanden en houten latten, balken en panelen vormen daarbij zijn voornaamste materiaal.

2
Als een bouwer drijft Demeulenaere zijn artistieke zoeken stap voor stap, project per project koppig verder. Traag maar zeker tekent zich een logische en consequente evolutie in zijn oeuvre af. Voor het vroege werk ‘Grundriss’ (Waregem, 2006) vertrok de kunstenaar van de meest basaal mogelijke transpositie, namelijk een schaalverkleining. Eerst realiseerde Demeulenaere een model op schaal 1:50 van het gebouw van het West-Vlaamse platform voor hedendaagse kunst Be-Part, dat bestaat uit twee door een ingewikkelde architecturale structuur verbonden voormalige villa’s. Deze maquette vergrootte hij terug uit tot een installatie op schaal 1:5, die hij in de studio van het provinciaal centrum opbouwde en waarin hij ook de kleine maquette plaatste, als het kleinste van drie modellen die zich als Russische poppetjes in elkaar laten schuiven. Later worden de transposities steeds complexer. Voor ‘Not Here... You Can Look Any Place...’ (Antwerpen, 2010 ism. Esther Venrooy) gaat hij in Lokaal 01 aan de slag met de kleine ruimtes die zich binnen het pand van deze residentieplaats voor actuele beeldende kunst naast de presentatieruimte bevinden. Hij klapt al hun muren naar buiten, wat resulteert in een horizontale installatie waarbij de elkaar soms overlappende wanden door in verschillende niveaus opeengestapelde houten frames worden gedemarkeerd. De herkenbaarheid tussen installatie en ruimte is bijna volledig zoek. Hier en daar voegen de kunstenaars een grijze plaat toe, als echo van de vlakke wanden. Dat Demeulenaere samen met Venrooy kiest om de installatie niet in de zij-ruimtes waarop het werk is gebaseerd maar wel in de aanpalende presentatieruimte op te bouwen, is geen toeval. Het getuigt van een zoeken hoe zijn installaties vanuit een sterke poëtische kracht op zichzelf kunnen staan, waarbij de directe relatie met de oorspronkelijke ruimte steeds minder belangrijk wordt.

3
Niettemin vormen in-situconstructies waarbij werk en de ruimte waarnaar het werk verwijst zich niet los van elkaar laten begrijpen, vooralsnog de hoofdmoot van zijn oeuvre. De ruimte is er de directe aanleiding om het werk te maken en omgekeerd leidt het werk de blik van de bezoeker terug naar de ruimte om haar met nieuwe ogen te bekijken en beleven. Hoe rigoureus Demeulenaere deze ruimtes ook precies opmeet voor hij aan een reproductie begint, exactheid is niet zijn streefdoel. Net zoals Plato in zijn befaamde ‘Allegorie van de grot’ meent dat de wereld zoals wij haar waarnemen slechts een vale afspiegeling is van de ‘ideale wereld’, beseft Demeulenaere dat elke reproductie – en dus ook elke poging om een ruimtelijke realiteit in een plattegrond of maquette te vertalen – in de eerste plaats een vervorming, afwijking of ontoereikendheid inhoudt. De systematische logica die Demeulenaere in zijn werkproces strikt volgt en de lichte verschuivingen en variaties die desalniettemin in zijn installaties opduiken spellen die onbevattelijkheid van elke ruimtelijke realiteit glashelder uit. Hoeken, wanden en deuren eisen plots andere afmetingen en verhoudingen op wanneer je ze verschuift, verdraait of vanuit een ander oogpunt bekijkt, als ‘stabiel’ ervaren ruimtes tonen zich plots erg complex en onstabiel. Andere kwaliteiten laten zich helemaal niet vatten voor reconstructie. De installaties van Demeulenaere openen zo de weg om de ruimtelijke realiteit in haar complexiteit te onthullen en in haar instabiliteit te re-affirmeren.

4
Interessant is dat de kunstenaar zich daarbij steeds vaker gaat richten op de meer efemere kwaliteiten van een ruimte. Vanaf 2010 gaat hij bijvoorbeeld in verschillende werken telkens op een andere manier aan de slag met de lichtinval. Dat dit de identiteit van een ruimte in belangrijke mate kan bepalen, toont het architectenkantoor dat de aanleiding voor ‘re-flex/flex/re-flection’ (Sint-Niklaas, 2010) vormde. Door middel van koepels en zijramen heeft de eigenaar/ architect van een donkere, lange gang een aangename, lichte ruimte gemaakt. Demeulenaere besloot om deze lichtinval via spiegels en dia-projecties in een maquette binnen de oorspronkelijke ruimte te reconstrueren. Zijn inspiratiebron was de film ‘Rope’ (1948) van Alfred Hitchcock. Om deze film, die zich afspeelt in een appartement in Manhattan, New York, geloofwaardig te laten ogen, moest Hitchcock in de studio-set ook het vallen van de avond integreren. Aangezien de vertelde tijd gelijk is aan de verteltijd (en het tijdsbestek van het verhaal dus gelijk is aan de duur van de film), loopt het tijdsgevoel dat de filmmaker langs artificiële weg oproept, parallel aan het reële tijdsgevoel. Demeulenaere nam deze idee als uitgangspunt voor een installatie, waarbij hij in het architectenbureau de lichtinval van één bepaald moment reconstrueert. Het is dus alsof hij de tijd even stilzet. Deze momentopname confronteert hij met het werkelijke licht, dat van buitenaf nog steeds in de ruimte waarin de installatie is opgebouwd binnenvalt en er dus in meespeelt. Dat creëert een subtiele spanning. Afhankelijk van het tijdstip en de weersomstandigheheden is het ‘reële’ licht soms sterker of zwakker aanwezig dan het artificiële licht, waardoor de installatie zich matigt, of omgekeerd sterker toont.

5
In die subtiliteit schuilt de poëzie van Demeulenaeres oeuvre, en ook een actief appèl aan de bezoeker. Aangezien ruimte-beleving een uiterst individueel gegeven is, afhankelijk van een persoonlijke sensitiviteit en subjectieve fysieke en mentale ervaring, laat een werk van Demeulenaere zich niet interpreteren zonder dat je als bezoeker jezelf in zijn ruimtelijke installaties begeeft en je ten opzichte van de ruimte situeert. Zoals ‘re-flex/flex/re-flection’ maar ook Not Here... You Can Look Any Place...’ en ‘Grundriss’ tonen, dringen zijn installaties zich ondanks hun afmetingen nooit op, juist omgekeerd stellen ze zich in hun soberheid en zuiverheid bescheiden op. De kunstenaar ontdoet de ruimtes van hun functionaliteit en vermijdt elke vorm van anekdotiek die een externe betekenis aan de ruimte zou kunnen toewijzen. Daardoor fungeert zijn werk als een schietspoel die de blik naar de formele elementen van een ruimte leidt om deze in alle vrijheid en openheid zelf te exploreren. De lichte verschuivingen tussen werk en ruimte geven dan een hint van de vele, nooit sluitende mogelijkheden die de ruimte in zich draagt, waardoor zich een prisma aan ervarings- en interpretatiekaders opent. Ook het werk ‘Who Framed this House?’ (Leuven, 2010), een ander werk waarin lichtinval een belangrijke rol speelt, toont dit mooi. Demeulenaere creëerde vier sculpturale modules, geïnspireerd op een anonieme doorgangsruimte van het kunstencentrum STUK. Het frappeerde de kunstenaar dat foto’s die hij van de ruimte had gemaakt, afhankelijk van het camerastandpunt lichte verschillen in ruimtelijke afmetingen, verhoudingen en lichtinval toonden. Dat principe thematiseert hij in de dicht tegen over elkaar geplaatste modules, die elk een deel van de doorgangsruimte hernemen. De lichtinval wordt telkens met behulp van één theaterspot per module gereconstrueerd. Door overlappingen verwijzen de modules naar elkaar en spelen ze in op herkenning. Tegelijk installeren ze in hun ogenschijnlijk willekeurige opstelling en lichte verschillen en verschuivingen (in onder andere de belichting) een fascinerende instabiliteit, die zich pas opent wanneer je als bezoeker in de installatie staat en de ongerijmdheid tracht te rijmen.


6
De vrijheid die Demeulenaere aan de toeschouwer laat, getuigt van een enorme generositeit, die hij ook aan de dag legt bij de artistieke uitwisseling en samenwerking die hij vaak en erg bewust opzoekt. Samenwerken betekent voor de kunstenaar niet: uit dialoog en compromis tot een gedeeld verhaal komen, wél: vanuit een gedeelde fascinatie voor het concept ‘ruimte’ deze vanuit de eigen achtergrond op verschillende aspecten en kwaliteiten onderzoeken. De kunstenaars met wie hij samenwerkt, onthullen de blinde vlekken van Demeulenaeres discipline en werkmethode en vullen die aan, waardoor hun ingrepen de zijne verrijken. Tegelijk peilt Demeulenaere via deze samenwerkingen opnieuw naar de nooit sluitende interpretatie of bevattelijkheid van een ruimtelijke realiteit. De meest in het oog springende samenwerking is die met geluidskunstenares Esther Venrooy, die ruimtes op hun geluidskwaliteiten onderzoekt. Ondertussen werkten ze al vier keer samen, onder andere voor ‘Shifting Grounds’ (Kortrijk, 2010) een installatie die het duo voor het Happy New Festival van Vlaanderen realiseerde in de Kortrijkse Broeltoren. Demeulenaere inspireerde zich op de open dakconstructie van de hoogste verdieping van dit gebouw, om op alle drie de verdiepen een gelijkaardige maquette te realiseren, die hij telkens (onder andere) in de hoogte verschuift. Op de houten wanden plaatste Venrooy transducers, een technologie die de wanden als luidspreker gebruikt om het geluid te verspreiden. Haar geluidsscore klinkt steeds scherper naarmate je in de toren omhoog klimt.

7
Samenwerken betekent voor Demeulenaere naast het verrijken van de eigen praktijk echter ook: peilen naar vragen rond het statuut van het (zijn) kunstenaarschap. Hoe creëer je in het dense kunstenveld je eigen stem en hoe verhoud je je daarbij tot je collega-kunstenaars? Demeulenaere onderzoekt het in werken waarin zijn interesse in artistieke samenwerking en in ruimtelijkheid bijna organisch samenvloeien in een peilen naar de (mentale) ruimtelijke kwaliteit van de artistieke realiteit. In werk zoals ‘Dirk Zoete Paviljoen’ (Kortrijk, 2008) of ‘Sculptuur-Paviljoen’ (Vlissingen, 2009) werkt hij niet samen met respectievelijk de kunstenaars Dirk Zoete of Jan van Munster, maar formuleert hij een artistiek antwoord op hun werk. ‘Dirk Zoete Paviljoen’ bijvoorbeeld toont een lattenconstructie waarin letters zijn opgenomen die samen de naam van de kunstenaar uitspellen. Demeulenaere verwijst in zijn opzet direct naar een werk van deze beeldend kunstenaar, namelijk een installatie opgebouwd uit tractorbanden die het woord ‘tractor’ vormen. Die erg directe verwijzing peilt naar de vraag hoe je voorbij het streven naar artistieke originaliteit (de idee van de genie-kunstenaar is al lang dood en begraven) vanuit wederzijdse erkentelijkheid elkaars werk kan voeden. Want meer dan een ‘kopie’ is het werk van Demeulenaere een betekenisvolle verschuiving – een uitspellen van de verwantschap die de kunstenaar met Dirk Zoete voelt, maar ook een eigen artistieke propositie. Bij ‘TRACTOR’ van Dirk Zoete verwijst de installatie zowel in woord als materiaal naar de ‘signifié’ die duidelijk leesbaar gevormd wordt. Bij Demeulenaere is dat anders: de lattenstructuur overheerst de tekst volledig, de letters onthullen zich slechts langzaam en dan nog enkel voor de aandachtige kijker. Letters en woorden zijn vaak dominant, de eerste bron waar wij in een zoeken naar betekenisgeving op leunen. Ze komen zelfs vooraan te staan in een boek dat eigenlijk over beelden gaat. En dat terwijl ze evenmin als elke andere betekenisgever de realiteit ooit echt en volledig kunnen vatten. Demeulenaere ontdoet ze van hun dominantie in betekeniskracht, door de architecturale structuur de overhand te laten nemen. Als beeldend kunstenaar laat hij ze eerst latten zijn – met een visuele kwaliteit – dan pas woorden die betekenis genereren. Vanuit zijn achtergrond voegt hij een andere dimensie toe aan woorden, net zoals Venrooy een andere dimensie toevoegt aan zijn ‘beelden’. Uiteindelijk doen we het allemaal met de middelen waarvoor we hebben gekozen: de schrijver met woorden, de beeldend kunstenaar met beelden, de geluidskunstenares via geluid. Wanneer je deze verschillende perspectieven samengooit, krijg je enkel een rijker beeld. Dat is waar Demeulenaeres werk van getuigt. En zo moet het ook met deze publicatie zijn.

September 2011